Ik ben een blanke man
van 64, geboren in Nijmegen zeven jaar na de oorlog. Ik ben de oudste van zeven
zonen, maar één broertje overleed al op jonge leeftijd dus we waren met zes
jongens. Ik ben opgegroeid in Beverwijk. Op mijn zevende werd mijn vader daar hoofd
van een lagere school. Wij woonden in de ambtwoning van het schoolhoofd,
grenzend aan het terrein van de bisschoppelijke kweekschool, een opleiding voor
onderwijzers. In ons gezin was vaders gezag onaantastbaar. Er lag veel nadruk
op schoolresultaten. Goed je best doen was erg belangrijk. Op school en in de
kerk.
Mijn ouders waren
streng katholiek. In onze hele familie werd de kerk erg serieus genomen. Wij
geloofden heilig in Onze Lieve Heer en de Maagd Maria, in goed en kwaad en in de
macht van de duivel. Vijf van mijn veertien ooms en tantes waren pater of
zuster. De sterren waren twee oudere broers van mijn vader, beiden missionaris
in Afrika, Witte Paters. Ik werd misdienaar en ben later zelfs twee jaar naar
een internaat gegaan, een kleinseminarie van diezelfde Witte Paters. Ik zat daar
op het gymnasium toen in 1968 de grote omwenteling plaatsgreep. Mijn wereld
stond op z'n kop; ineens werd alles anders. Mijn ouders begrepen er niets van;
voor hen was deze ontwikkeling alleen maar negatief. Vanaf dat moment heb ik
mijn eigen weg gezocht.
Via een lange omweg
vond ik die uiteindelijk in de communicatie. Eerst in de PR en de voorlichting
voor enkele grote bedrijven. Later in audiovisuele producties en als
zelfstandige tekstschrijver.
Ik ben in 40 jaar
tweemaal getrouwd geweest en ik ben de gelukkige vader van een dochter en een
zoon. Sinds vier jaar ben ik ook opa van twee bijzonder levendige kleinzonen.
Samen met mijn dochter heb ik een tekstbureau dat ook adviezen geeft en
schrijftrainingen aanbiedt. Met mijn geliefde Sabine heb ik al negen jaar een lala
relatie: living apart, lange afstand. Sabine woont in Beieren en reist veel. Ik
heb ook flink gereisd, maar ben nu het liefste thuis in Amsterdam-Zuid.
Van 2001 tot 2007 heb
ik een opleiding tot persoonlijke coach gevolgd aan de School voor Zijnsoriëntatie
in Utrecht. Maar mijn coaching praktijk kwam niet echt van de grond. Daarom ben ik maar liever tekstschrijver gebleven. Sinds 2004
leid ik interculturele dialogen in Amsterdam, als vrijwilliger. Dialogen brengen
mensen met allerlei achtergronden in gesprek met elkaar. De laatste jaren heb
ik mij ontwikkeld tot een verbindingsjunkie. Ik geniet ervan om met iemand op
dezelfde golflengte te resoneren. Sporten doe ik bijna dagelijks, mediteren
ook. Ik lees, denk en praat graag en ik houd meer van films dan van theater of
muziek. Ik ben sociaal vaardig, maar ook graag alleen.
De werktitel van mijn boek boek over ouder worden was 'De Medior'. Ik hoorde het woord medior voor 't eerst van een
marketing medewerker bij een bank. Zij had het over een vitale senior citizen, tussen 55 en circa 70
jaar. Van leesbril tot rollator zeg maar. Het woord medior is bij mij blijven
hangen. Wij medioren zijn een interessante groep. Niet langer jong, niet meer
zo hups. Maar nog wel fit en in staat om iets neer te zetten. We hoeven geen
carrière meer op te bouwen, die tijd ligt achter ons. Maar misschien kunnen we
nog wel iets betekenen, juist omdat we wat ouder zijn en naar de wereld kijken
vanuit een eigen perspectief. Bovendien beschikken we over ruime middelen en
grote netwerken: familie, vrienden, collega's, zakelijke relaties.
Wij 'medioren' bevinden ons tegen
het einde van onze materiële loopbaan, op de top van ons vermogen om te geven
en te inspireren. Eigenlijk is dit een prachtpositie. Op onze 'gezegende'
leeftijd hebben we heel wat bagage verzameld. Als ik mijn eigen hart kijk, vind
ik daar wijsheid en ervaring maar ook twijfel en onzekerheid, aftakeling en
verzet maar ook moed en acceptatie. We staan op een punt in ons leven waar we
eerlijk kunnen worden over wat we hebben bereikt en wat niet is gelukt. We
komen langzaam toe aan het opmaken van de balans. Hier hebben de keuzes in ons
leven ons gebracht, hier staan we nu. We kijken terug en we kijken vooruit. Wat
wacht ons daar: de ouderdom, de geraniums, de dood? De verstilling, de
wijsheid, het hogere? Wat valt er nog te doen? Kan ik nog iets betekenen?
Het woord medior doet
denken aan mediocre, middelmatig. Dat vind ik wel aardig. In deze narcistische
tijd is middelmatigheid een schrikbeeld. Iedereen wil bijzonder zijn, beroemd
worden, opvallen. Dat is mij niet vreemd, maar middelmatigheid is een goed medicijn.
Door mijn middelmaat te erkennen, land ik tussen de mensen. Mensen zoals wij
allemaal. Natuurlijk, iedereen is uniek. Iedereen heeft bijzondere kwaliteiten.
De een is mooi, de ander slim of lief of grappig. Dat is fijn, maar het maakt
je niet tot iets bijzonders. Het maakt je tot één van zeven miljard
aardbewoners. Of zoals Pema Chödrön zegt: 'Just
like me' als therapie om oordelen te erkennen. Wat een lelijk wijf zeg,
just like me. Wat een grote bek heeft die kerel. Just like me. Maar ook: hij is
behoeftig, zij lijdt pijn, hij praat grappig, die ziet er goed uit. Just like me
and seven billion others...
Hoe worden wij (w)aardig oud? Hoe kun je oud worden en oud zijn
met enige gratie? Het antwoord daarop weet niemand, en dat is niet
verwonderlijk. Ik ben geboren in 1952. Mijn ouders behoorden tot de generatie
die de tweede wereldoorlog nog bewust had meegemaakt. De eerste generatie in de
geschiedenis die massaal 80-plus is geworden. Mijn grootouders stierven tussen
hun 65ste en 75ste jaar. Tachtig heette toen 'de leeftijd van de sterken'. Dankzij
allerlei medische ingrepen leefden mijn ouders bijna 20 jaar langer. Tachtig is
nu heel gewoon, maar zij waren de eersten. Daarom moesten ze het doen zonder
voorbeeld.
Wij hebben de vorige
generatie als voorbeeld, en daar word ik niet blij van. Ik zie veel ouderen
sukkelen met kwalen en gebreken. Fysieke en mentale aftakeling. Veel bejaarden
kwijnen weg in complete afhankelijkheid. Oude mensen klagen veel, of ze lijden
in stilte - de uitzonderingen daargelaten. Zo wil ik niet oud zijn. Liever
spiegel ik mezelf de illusie voor, dat ik gezond oud ga worden. Ik maak mezelf ook
wijs, dat ik dat zelf in de hand heb. Ik eet gezond, ik beweeg, ik rook en
drink niet, ik blijf aan het werk. Als ik niet oppas, geloof ik dat ik daarmee
de dementie en de immobiliteit kan afweren. Maar natuurlijk weet ik beter:
gezonde, vitale ouderen zijn de uitzondering, niet de regel. Hoe gaan we daarmee
om? Hoe kunnen we straks met rechte rug en opgeheven hoofd de catastrofe
tegemoet treden? Dat is de grote vraag waarover we het moeten hebben met
elkaar. Want erover praten helpt, is mijn ervaring.
De toon waarop ik
schrijf is niet altijd zo aardig als ik zou willen. Soms klink ik kwaad. Dat
betekent niet dat ik voortdurend het ene oordeel aan het andere rijg. Ik ben
ook niet negatief over wat ik om me heen zie gebeuren. Ik heb daar wel vaak een
uitgesproken mening over, en ik ben niet overal blij mee. Toch is de grondtoon
in mijn leven opgewekt en optimistisch. Ik geef om mensen en om liefde, schoonheid,
ruimhartigheid en grootmoedigheid. Maar ik zie ook kleinzieligheid, zuinigheid,
egoïsme, lafheid, domheid en gebrek aan humor. Daar heb ik begrip voor, omdat
ik snap dat mensen soms niet méér in huis hebben. Maar ik word er ook kriegel
en kwaad van, omdat kleinheid en domheid zoveel schade aanrichten. Dan wordt
mijn toon scherp en mijn stem luid. Omdat het zo veel mooier, breder, ruimer en
grootmoediger kan. Maar kijk ik dieper naar de pijn, dan komt er verdriet en
machteloosheid boven. En uiteindelijk compassie, medeleven. Dan wordt het stil.
Eind 2015 is de
reclame van een Duitse supermarkt viral gegaan. Lief opaatje dreigt alleen te
blijven met kerst. Al zijn kinderen hebben het te druk met hun eigen levens om
kerst met hem te vieren. Dan krijgen ze plotseling bericht: vader is overleden.
Rouwend komen ze samen in het ouderlijk huis. En wat treffen ze daar aan: een
springlevende opa en een feestelijk gedekte tafel! De boodschap: kennelijk moet
je als oudere sterven om gezien te worden. Dat verhaal spreekt kennelijk veel
mensen aan. Oudere kijkers zijn verongelijkt vanwege de egoïstische kinderen. Hun
kinderen voelen zich schuldig omdat ze niet genoeg geven om hun ouders, die
toch alles hebben gegeven voor hen.
Ik word er kwaad van.
Ik heb twee volwassen kinderen en twee wolkjes van kleinkinderen. We hebben een
liefdevolle en betekenisvolle relatie. Ik geniet van hen en zij hebben lol met
mij en mijn fratsen. In mijn beleving is hier sprake van een gelijkwaardige
uitwisseling. Ik zie ook een ontwikkeling waarin de rollen langzaam worden
omgedraaid. Ooit waren zij van mij afhankelijk. Straks zijn zij de ruggengraat
van de samenleving en sta ik misschien meer aan de zijlijn. Het kan zijn, dat
zij mij dan meer inspireren dan ik hen. Dat betekent niet dat zij de plicht
hebben om voor mij te zorgen. Dat zou ik vreselijk vinden. Wat dat betreft sta
ik in een goede traditie: mijn vader weigerde vriendelijk maar beslist de
uitnodiging van een van zijn zoons om bij hem in te trekken. Dat vond hij niet
passend: mijn broer had zijn eigen gezin. Ik snapte dat wel. Mijn kinderen
hebben ook hun eigen leven; bejaarde vaders verzorgen is niet hun ambitie. Ik
heb liever dat ze voor zichzelf en voor hun kinderen zorgen.
Hoe kan 't anders? In
het voorbeeld van opa en de kerst: je kunt ook iets verzinnen dat voor je
kinderen interessant is. Verkleed je als Kerstman en ga langs met een zak vol
cadeautjes. Of maak een mooi feest met je eigen vrienden. Ga iets bijdragen in
het buurthuis. Laat je verwennen door het Leger des Heils of de Rotary. Of
geniet van de stilte en ga mediteren tijdens de kerst. Dat zou mijn meer passen
dan de hele familie de stuipen en het schuldgevoel op het lijf jagen door mijn
dood te faken. De energie en de creativiteit die dat vergt, zou ik liever aan
iets beters besteden.
Waar ik van schrik,
is de sentimentele manier waarop de adverteerder en het reclamebureau inspelen
op de schuldgevoelens, verwijten en conflicten tussen de generaties. Dat zo'n
verhaal werkt, illustreert hoeveel verwarring er heerst in de verhouding tussen
de generaties. Het zijn dezelfde sentimenten als worden ingezet door de
ouderenpartijen en bejaardenbonden. De oudere generatie heeft hard gewerkt voor
onze welvaart krijgt nu ondankbaarheid als beloning.
Ik ben het daar niet mee
eens. Met zo'n verongelijkte houding wil ik niet in naar de jongere generatie
kijken. Zo wil ik niet in het leven staat. Ook niet nu ik oud ben. Want oud is
niet zielig. Oud is de moeite waard. Oud is mooi.